Aanbod van arbeid 2016: Informeel leren kan gebrek aan formeel leren niet compenseren

In het Onderzoeksrapport Aanbod van Arbeid 2016 wordt uitgebreid aandacht besteed aan opleiding van werkenden en welke groepen de meeste opleidingsmogelijkheden hebben. Naast verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden en vaste en flexibele werknemers, is er ook gekeken naar verschillen tussen werkenden die wel of niet onder een cao vallen. Algemene conclusie is, zoals ook al in eerdere rapporten is beschreven, dat Leven Lang Leren in de praktijk niet altijd van de grond komt. In dit artikel een samenvatting van de belangrijkste bevindingen op het gebeid van scholing.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau beheert sinds 2010 het Arbeidsaanbodpanel. Dit is een langlopend onderzoek onder werkenden en niet-werkenden dat sinds 1986 om de twee jaar wordt gehouden. Dankzij de lange geschiedenis zijn ontwikkelingen op de arbeidsmarkt goed in kaart te brengen. In deze editie staat de combinatie van werken, zorgen en leren op een flexibele arbeidsmarkt centraal. Hoofdstuk 5 van het rapport gaat vooral over scholing, met aandacht voor werk tijdens opleiding en opleiding tijdens werk. Interessant is dat in deze laatste meting van het Arbeidsaanbodpanel vragen zijn opgenomen over informeel leren, dat wil zeggen de mate waarin mensen bijleren door het doen van hun werk. Juist omdat steeds weer blijkt dat formele scholing een deel van de werkenden niet bereikt (ouderen, lager opgeleiden), is het de vraag of informeel leren dat hiaat weet te vullen. Is het wellicht zo dat ouderen en lager opgeleiden hun kennis op peil houden door informeel leren, terwijl de hoger opgeleiden dit doen door deelname aan formele scholing? Of is er daarentegen sprake van stapeling van risico’s, en is de mate waarin deze groepen een achterstand opbouwen des te groter doordat ze minder deelnemen aan zowel formele als informele scholing?

Werken tijdens opleiding

Nadruk op blijven leren geen effect op scholingsgedrag
​Uit de meest recente cijfers blijkt dat ongeveer vier op de tien werkenden in de twee jaar voorafgaand aan de enquête scholing heeft gevolgd. Het gaat daarbij expliciet om opleidingen of cursussen die van belang zijn voor het werk of beroep, en dus niet om opleidingen die alleen uit hobby of interesse zijn gevolgd. Evenmin is de groep werkenden die twee jaar geleden nog scholier of student was, in deze cijfers meegenomen. Het aandeel werkenden dat scholing volgde, fluctueert in de periode 2004-2014, maar vertoont geen duidelijke trend. Dat er in deze jaren steeds meer nadruk gelegd wordt op (blijven) leren, lijkt dus geen zichtbare effecten te hebben op het scholingsgedrag. Anderzijds is er ook geen negatief effect te zien van de crisis op de scholingsdeelname. Scholing heeft dus blijkbaar wel een stabiele plek op de arbeidsmarkt, die niet of nauwelijks conjunctuurgevoelig is.

Opleiding tijdens werk

Hoe staat het met de leerbehoefte van werkenden zelf?
Ondanks het feit dat het beleid uitgaat van het idee dat scholing noodzakelijk is om bij te blijven, en dat relatief veel werkgevers aangeven dat hun personeel een tekort aan kennis en vaardigheden heeft (Van Echtelt et al. 2015: tabel 4.12), valt het op dat de meeste werknemers ontkennend antwoorden op de vraag of zijzelf ten aanzien van hun kennis en vaardighedenproblemen ervaren bij de uitoefening van hun functie. Opvallend is dat slechts 5% een tekort aan kennis en vaardigheden voor het goed vervullen van het werk ervaart. De acute behoefte aan scholing vanuit werknemers zelf lijkt daarmee niet bijzonder groot.
 
Weinig behoefte, wel dynamische werkomgeving
In de laatste meting van het Arbeidsaanbodpanel is ook gevraagd of er in het werk veranderingen plaatsvinden die bijleren noodzakelijk maken. Uit deze cijfers blijkt dat er bij de hogere opleidingsniveaus vaker sprake is van een sterk veranderende werkomgeving. Meldt op basisschoolniveau 22% van de werkenden veranderingen, op wo-niveau is dat 60%. Gemiddeld genomen volgen mensen die in een sterk veranderende omgeving werkzaam zijn vaker scholing (53%) dan mensen die in een minder veranderlijke omgeving werken (28%). Wat daarbij opvalt, en mogelijk zorgelijk is, is het verschil tussen laag-, middelbaar en hoogopgeleide werkenden. Bij de ongeschoolde werkenden volgt slechts 24% van de mensen die aangeven dat de veranderingen scholing noodzakelijk maken daadwerkelijk scholing. Op het middenniveau is dat 46% en op het hogere opleidingsniveau bijna 60%. Wellicht wordt dit (mede) veroorzaakt doordat bijleren op lagere niveaus minder vaak het karakter heeft van een formele cursus. Anderzijds is het in overeenstemming met de eerder aangehaalde bevinding dat juist de groepen met de hogere risico’s relatief weinig scholing krijgen.
 
Leeftijd, opleidingsniveau, type contract en gezondheid bepalend
Het lijkt erop dat de kwetsbare groepen – groepen met een zwakke arbeidsmarktpositie – de minste scholing ontvangen (zie ook Vlasblom et al. 2013). Zo laten de cijfers zien dat ouderen minder vaak scholing volgen dan jongeren: van de werkenden tot 35 jaar heeft ongeveer de helft scholing gevolgd, terwijl dit bij 45-plussers een derde is. Dit kan zijn omdat zij door hun jarenlange werkervaring minder scholing nodig hebben. Waarschijnlijker is het dat hun werkgever of zijzelf niet meer de behoefte voelen aan of niet meer willen investeren in scholing voor verdere ontwikkeling.

 

Laaggeschoolden krijgen minder vaak scholing krijgen dan hoger opgeleiden.
Ontvangt van de laaggeschoolden ongeveer een op de vijf werkenden scholing, van de hoogopgeleiden is dit bijna de helft. Dat niet alleen, het lijkt erop dat dit verschil de afgelopen jaren iets groter geworden is: de scholingsdeelname op mbo-niveau daalde nauwelijks tijdens de crisis, maar is wel blijven dalen, terwijl op hbo- en wo-niveau inmiddels weer een bescheiden stijging zichtbaar is. Voorts hangt de mate van scholing af van het type contract. Met name van de personen met een niet-regulier contract, zoals oproepkrachten en mensen met een nul-urencontract, doet een relatief klein aandeel (20%) een opleiding of cursus. Dit geldt ook voor zelfstandigen (34%). Het aandeel mensen met een tijdelijk contract dat scholing volgde, lijkt het afgelopen decennium terug te zijn gelopen. Tot slot blijkt gezondheid samen te hangen met het volgen van scholing en cursussen. De scholingsdeelname van mensen die hun gezondheid als minder dan goed ervaren (34%) blijft achter bij die van gezonde mensen (41%). Dit verschil naar gezondheid blijft bestaan, ook als gecorrigeerd wordt voor leeftijd en opleidingsniveau.

De rol van informeel leren

Hoewel in de beleidsdiscussie de nadruk vaak ligt op het formeel leren (deelname aan cursussen en opleidingen, al dan niet met een diploma), is het formele leren niet de enige manier waarop mensen bijleren. Ook op de werkvloer wordt geleerd; ervaring opdoen door te doen en door te leren van collega’s of leidinggevenden is een belangrijke manier om (beroeps)vaardigheden te verwerven. Onderzocht is of groepen die relatief weinig formele scholing ontvangen, dat compenseren door middel van een grotere deelname aan informeel leren. Daarbij is gekeken naar ambachtelijke vaardigheden, sociale vaardigheden en intellectuele vaardigheden.

Een op de tien werkenden leert ook veel in het werk zelf
De meeste werkenden geven aan dat ze bijgeleerd hebben door hun werk. Ongeveer een op de tien werkenden geeft zelfs aan op die manier heel veel bijgeleerd te hebben. Vooral de groep die in de afgelopen twee jaar van arbeidssituatie is veranderd is, geeft aan veel bijgeleerd te hebben in het werk zelf en dan vooral op het gebied van sociale en intellectuele vaardigheden. Onderverdeeld naar achtergrondkenmerken van de werkenden blijkt dat leren op het werk vooral aan het begin van de loopbaan gebeurt; mensen ouder dan 35 jaar geven aanzienlijk minder vaak aan dat ze bijgeleerd hebben door hun werk te doen. Dat geldt met name voor de ambachtelijke vaardigheden. Het bijleren op sociale en intellectuele vaardigheden gaat veel langer door. Ook blijkt dat het bijleren op de drie vaardigheden opnieuw sterkt correleert met het opleidings- en beroepsniveau. In de literatuur is dat ook een bekend verschijnsel. Afhankelijk van de aard van het werk en de context waarin men dit werk doet, wordt in meerdere of mindere mate voldaan aan de voorwaarden tot leren. Zo laat eerder onderzoek ook zien dat hoger opgeleide mensen in een hoger functieniveau hoger scoren op die leercondities: hun werk biedt de meeste mogelijkheden tot informeel leren, doordat ze relatief veel in contact komen met collega’s en nieuwe informatie. Juist het feit dat ze hoogopgeleid zijn, maakt dat ze meer kunnen leren, ook via het proces van informeel leren (Kyndt et al. 2009).

Voor het hele rapport zie: https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Aanbod_...

Bijlage

Thema's

Onderwerpen

Reageren

Over NSvP

De NSvP is een onafhankelijk vermogensfonds, dat zich inzet voor een menswaardige toekomst van werk. Wij stellen de vraag hoe de arbeidsmarkt van morgen er uit ziet en wat dat vraagt van de talent-ontwikkeling van jongeren en werkenden.

Rijnkade 88
6811 HD Arnhem
info@nsvp.nl
026 - 44 57 800

logo footer

Vind ons op Facebook
Volg ons