Creatief at Work 10

Dit artikel is een integraal deel uit het boek 'Creativiteit krijg je niet voor niets. Over de psychologie van creativiteit in wetenschap en werk' van Carsten de Dreu en Daniel Sligte.

Laten we maar eens beginnen met een van de grootste misverstanden rondom groepscreativiteit, namelijk dat samen in een groepje brainstormen tot meer creativiteit leidt, dan dat individuen apart zouden kunnen (Baas et al., 2015). Niets is namelijk minder waar.
Brainstormen als techniek bespraken we al kort in hoofdstuk 1. Samenwerken kwam uitgebreid aan de orde in het vorige hoofdstuk, toen we collaborative circles bespraken. We gaven dar voorbeelden van hoe creativiteit bevordert kan worden binnen zo’n collaborative circle. Belangrijk is, om voor ogen te houden, dat het daar ging om individuele prestaties van kunstenaars en weten­schappers die individueel werkten aan hun eigen creatieve inzichten en producten. Men raakte geïnspireerd en gemotiveerd door anderen, maar men werkte niet expliciet samen. Dat is total anders, als mensen samen gaan brainstormen.

Het misverstand dat samen brainstormen de creativiteit bevordert, vindt z’n oorsprong in een boek van Osborn (1957). In zijn “Applied Imagination” stelde Oswald dat, vergeleken met alleen werken, brainstormen in groepsverband zou leiden tot meer ideeën en ook tot meer originele, creatieve ideeën. Oswald veronderstelde, dat mensen op elkaars ideeën kunnen voortbouwen, elkaar kunnen inspireren, en dat samen ideeën uitwisselen dus uiteindelijk tot meer, en vooral ook meer originele ideeën zou leiden. Hij ging zelfs zo ver om te veronderstellen dat groepen twee keer zoveel ideeën zouden bedenken, dan dezelfde hoeveelheid individuen apart van elkaar zouden kunnen ophoesten.

Lange tijd werd Oswald’s idee voor waar aangenomen en brainstormen in groepen werd een wijdverbreid fenomeen in arbeidsorganisaties, adviesgroepen, onderzoekslaboratoria, en wat dies meer zij. Het duurde tot het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw, voordat Oswald’s stellingname door middel van experimenteel onderzoek werd getoetst. Michael Diehl en Wolfgang Stroebe (1987) vergeleken twee settings - één waarin vier individuen afzonderlijk van elkaar ideeën bedachten voor een bepaald probleem (dat van gastarbeiders in Duitsland), en één waarin vier individuen hierover gezamenlijk ideeën bedachten. 

In de individuele opzet zaten deelnemers afzonderlijk van elkaar in aparte kamertjes en konden elkaar niet zien of horen. Diehl en Stroebe noemden dit “nominale” groepen. Elk individu in zo’n nominale groep, kreeg vijftien minuten de tijd.  In de groepsopzet zaten de vier deelnemers om een tafel en kregen eveneens vijftien minuten de tijd. Elke deelnemer had een microfoontje opgespeld en kon daarin net zoveel ideeën opnoemen als hij of zij wilde.
In beide settings werden eerst alle dubbele ideeën gefilterd, zodat voor zowel de nominale groepen als voor de groepssetting een totale unieke productie van ideeën ontstond. De resultaten spraken voor zich. Nominale groepen, waarin er dus geen interactie tussen groepsleden was, bedachten aanzienlijk meer unieke ideeën en deze ideeën waren van een gemiddeld genomen hogere kwaliteit. Dit resultaat repliceerden Diehl en Stroebe in een drietal vervolgexperimenten; later onderzoek, in andere laboratoria en met andere groepen, vond herhaaldelijk hetzelfde resultaat (zie o.a., Diehl & Stroebe, 1991; Mullen, Johnson & Salas, 1991; Rietzschel, Nijstad & Stroebe, 2014; Nijstad & Stroebe, 2006; Paulus & Yang, 2000). 

Hoe komt het nu, dat interacterende groepen minder creatief zijn dan individuen apart? Drie verklaringen zijn intensief onderzocht. Allereerst is er de mogelijkheid, dat in groepssituaties mensen wat angstig worden voor gek te staan en ze dus minder vrijuit ideeën opperen. Daarnaast treedt in groepen vaak een motivatie-verlies op - mensen houden zich wat in, omdat ze niet de enige willen zijn die energie en tijd steken in een groepsproduct waar anderen evenzo van profiteren, zonder een echte bijdrage geleverd te hebben. Voor zo’n “free-rider” probleem is veel bewijs, zowel met betrekking tot groepscreativiteit, als voor allerhande andere productieprocessen in groepen (zie o.a. Karau & Williams, 1993; Nijstad, 2009).
Tenslotte, zo ontdekten Diehl en Stroebe (1987), speelt in interacterende groepen het probleem van coördinatieverlies. Allereerst moeten mensen in groepen op elkaar wachten en zolang je de ander laat uitspreken, kun je niet zelf ook ideeën uiten. Een interacterende groep heeft dus gewoon meer tijd nodig dan een nominale groep en daarin schuilt een belangrijke “kostenpost.” Daarbij komt nog, dat doordat je luistert naar andermans ideeën, het werkgeheugen belast wordt en minder ruimte overblijft om eigen nieuwe ideeën te formuleren (Nijstad & Stroebe, 2006).

De drie verklaringen voor het feit dat brainstormen in groepen zo weinig productief is, spelen alle drie een rol. Tegelijkertijd, vereist elke verklaring een andere interventie om groepscreativiteit te bevorderen. De sociale angst kan worden gereduceerd door een positief, psychologisch veilig groepsklimaat te bevorderen, door een cultuur te bevorderen waarin “raar” of “fout” gewaardeerd in plaats van afgestraft wordt. Leidinggevenden spelen hierin een belangrijke rol, iets waar we later in dit hoofdstuk op terug komen. Het “free-rider” probleem en de daarmee gepaard gaande motivatieverliezen, kunnen effectief bestreden worden door de beloningsstructuur binnen een groep slim te organiseren. We komen straks uitgebreider terug op de manier waarop dit gedaan zou kunnen worden.

Het productieverlies dat ontstaat doordat groepen onderling moeten coördineren en afstemmen, kan met behulp van technologie redelijk goed aangepakt worden. Sinds de ontdekking van het coördinatieverlies, is veel onderzoek gedaan naar “elektronisch brainstormen.”  De opzet is hetzelfde als in de groepssetting uit het originele onderzoek van Diehl en Stroebe, doch in plaats van ideeën noemen in een microfoon, typen groepsleden hun ideeën in een computer in, die het automatisch op een groot scherm toont aan de andere groepsleden. Gallupe en collega’s (1992) vonden dat vooral in grotere groepen van zo’n 6 tot 12 personen elektronisch brainstormen, de groepscreativiteit aanzienlijk verbeterde.

Elektronisch brainstormen heeft nog een bijkomend voordeel. Vooral wanneer een groep divers is samengesteld en mensen dus tamelijk veel unieke inzichten en informatie meebrengen, kan men elkaar ook daadwerkelijk inspireren. We gaan hier verder op in, in de sectie over diversiteit en groepscreativiteit.

Alhoewel brainstormen in groepen eerder niet dan wel bijdraagt aan groeps­creativiteit, blijft het onverminderd populair en leeft bij velen de gedachte - en de ervaring - dat het wel degelijk helpt. Ook daarvoor zijn een paar verklaringen geopperd. De eerste is, dat mensen de nog egoïstische neiging hebben om te denken dat de leuke, goede en originele ideeën van anderen, eigenlijk door henzelf bedacht zijn. Het gevolg is, dat ieder groepslid zich dus meer originele ideeën “toe-eigent” dan hij of zij werkelijk heeft bedacht en dus bij ieder de illusie ontstaat dat men super creatief was (Paulus & Nijstad, 2003; Paulus et al., 1993). Recentelijk zijn er aanwij­zingen gevonden, dat vooral leidinggevenden en mensen met enigszins narcistische inborst, zich andermans ideeën toe-eigenen (Faure, 2005). Het zijn natuurlijk ook leidinggevenden, die vervolgens oproepen weer eens als groep te brainstormen en daarmee de illusie dat het werkt in stand houden.

Een tweede reden voor de onverminderde populariteit van brainstormen in groepen, is dat brainstormen in groepen meer oplevert dan alleen maar creatieve ideeën. Weliswaar komt dat laatste dus niet echt van de grond, samen brainstormen heeft wel een paar andere positieve consequenties. Zo blijken groepen, vergeleken met een verzameling losse individuen, net zo goed om uit een grote brei van originele ideeën, de echt goede en bruikbare te selecteren (Rietzschel, Nijstad & Stroebe, 2014).

En tenslotte, zo ontdekten Sutton en Hargadon (1996), draagt brainstormen in groepen bij aan een breed scala aan andere, voor de meeste organisaties relevante uitkomsten, zoals het verankeren van sociale steun voor een innovatieve oplossing, het bevorderen van een op inhoud gerichte “mind-set” en het indruk maken op klanten en leveranciers. Deze uitkomsten hebben weliswaar weinig tot niets met creativiteit te maken, maar verklaren wel waarom brainstormen in groepsverband blijvend populair is.


Meer inspiratie over creativiteit op het werk ?

Om de dinsdag posten we op Facebook een bruikbare tip, handig weetje of inspirerende frase uit het boek over creativiteit.

Thema's

Onderwerpen

Reageren

Over NSvP

De NSvP is een onafhankelijk vermogensfonds, dat zich inzet voor een menswaardige toekomst van werk. Wij stellen de vraag hoe de arbeidsmarkt van morgen er uit ziet en wat dat vraagt van de talent-ontwikkeling van jongeren en werkenden.

Rijnkade 88
6811 HD Arnhem
info@nsvp.nl
026 - 44 57 800

logo footer

Vind ons op Facebook
Volg ons